Rabbi Isaak woonde in Polen, in de stad Krakau. Op een nacht werd de rabbi in een droom verteld dat hij naar de stad Praag moest reizen.
Daar zou onder de grote brug naar het paleis van de koning een schat begraven liggen. Rabbi Isaak hechtte eerst geen waarde aan de droom, maar toen hij de droom voor de zesde keer droomde, besloot hij toch maar eens op zoek te gaan naar de schat.
Na een lange reis kwam rabbi Isaak in Praag aan en ging meteen op weg naar het paleis. Maar de brug bleek dag en nacht door soldaten bewaakt te worden. Vanaf veilige afstand observeerde de rabbi de brug, maar omdat hij daar iedere dag stond wekte hij uiteindelijk
toch de argwaan van de kapitein van de wachters. De kapitein kwam naar hem toe en vroeg de rabbi wat hij bij het paleis te zoeken had. Rabbi Isaak zag wel dat de kapitein een goedhartig mens was en vertelde hem zijn droom.
De kapitein brulde van het lachen. ‘Goeie genade, rabbi, u lijkt mij een wijs man, maar u neemt dromen serieus? Als ik zo goedgelovig was als u zou ik nu niet hier zijn, maar in Polen, in de stad Krakau. En ik zal u vertellen waarom. Ik heb ook een droom die zich steeds
maar herhaalt. Vannacht toevallig ook weer. In mijn droom zegt een stem dat ik naar Krakau moet gaan, naar het huis van een zekere Isaak, om daar, in een hoek van de keuken, naar een verborgen schat te graven. Zeg nu zelf, rabbi, zou het niet idioot zijn als ik helemaal naar Krakau zou reizen en daar zou informeren naar een man die Isaak genoemd wordt? De helft van de mannelijke bevolking in die stad heet Isaak!’
Rabbi Isaak was stomverbaasd. Hij bedankte de kapitein voor zijn verhaal en keerde zo snel mogelijk terug naar Krakau. Hij rende zijn huis in, groef in alle hoeken van de keuken. En hij vond een schat die zo groot was, dat hij voor de rest van zijn leven geen materiële zorgen meer had.