Lao Tse maakte elke ochtend een wandeling in de pure stilte die het begin van de dag heeft.
En hij wilde nooit gezelschap hebben, want hij wist dat mensen niet stil kunnen zijn en dat zou zijn wandeling en de beleving van de stilte verstoren.
Maar de buurman van Lao Tse waagde het een keer toch om een verzoek aan hem te doen voor een vriend van hem. Hij zei: 'Laat hem eens met u meegaan tijdens uw ochtendwandeling.
Het lijkt hem zo'n heerlijke belevenis. En hij heeft beloofd om absoluut stil te zijn'.
Lao Tse stemde voor die ene keer toe. Dus de vriend ging mee op weg.
Ze wandelden naast elkaar voort zonder ook maar één woord te spreken.
En ze drongen dieper in de bossen door.
Toen kwamen ze bij een meer dat omringd werd door hoge bomen die zich in het water weerspiegelden. Door de bomen heen scheen het zonlicht dat in patronen op het water viel.
Het was een schitterend gezicht. De mond van de vriend viel open en hij riep ontroerd: 'Oh, wat mooi!' Toen sloeg hij zijn hand voor zijn mond omdat hem te binnen schoot wat hij beloofd had.
Hij zou immers geen woord zeggen!
Lao Tse reageerde niet en ze keerden zwijgend terug naar huis.
Thuisgekomen zei Lao Tse tegen zijn buurman: 'Dit was eens maar nooit weer! Vraag me niet nog eens om je vriend mee te nemen tijdens mijn wandeling. Hij praat teveel!'